Home » Kerk en Kloosters Dominicanen » 1852: Komst Dominicanen

Waarom kwamen er Dominicanen naar Langenboom?

Een gehucht bestaande uit een aantal kleine boerderijtjes aan de rand van De Peel, meer was Langenboom in 1852 niet. Waarom kwamen er dan toch Dominicanen naar dit verlaten oord?

Laten we eerst de voorgeschiedenis vertellen.

Vroegere bewoning

In 1806 moest het gemeentebestuur van Escharen, waartoe het gehucht Langenboom ook behoorde, alle huizen en de landerijen gaan opschrijven. De Fransen waren toen de baas hier in ons land, en dit opschrijven was nodig om belastinggeld binnen te krijgen, want zodra er huizen of gronden verkocht werden, moest er zg. zegelgeld betaald worden aan de staat. Zo weten we nu, dat de boerderijtjes, waar later de Dominicanen in kwamen, toebehoorden aan de familie Derks uit Grave. Het staat er zo omschreven:

De Wed. Derks twee bouwhoven, geleegen aan den Langenboom, groot agtien Hollandse morgen, zijnde bouw en wyland en houtgewassen, en drie en eenen halven morgen nieuw erf, belendend rondomme de gemeente Escharen.

Het bezit van de familie Derks in 1825

Deze familie Derks woonde niet zelf op de boerderijtjes, maar verpachtte ze. Daaruit blijkt, dat ze bepaald niet arm waren. Francis Derks en Catharina Arts hadden een zoon die priester was, nl. Franciscus. Hij was in 1792 pastoor van Haps geworden en zou dat blijven tot zijn overlijden op 5 april 1823. Zijn zuster Johanna Elisabeth, die al een deel van de erfenis van haar ouders had ontvangen en als ongehuwde dienstbode bij haar broer in Haps woonde, kreeg er nu het bezit van haar broer bij. Zo bezat ze nu de boerderijtjes en landerijen in Langenboom. Ze wilde hier weer zo spoedig mogelijk af zijn en ze schakelde de pastoor van Mill, Johannes Berents in. Hij moest voor haar de bezittingen verkopen.

Kopers zijn op 23 september 1825 de ongehuwde gezusters Louisa, Maria Josepha, Maria Anna en Christina Malingrez uit Grave. Het landgoedje bestaat uit: “twee aan elkander gelegen bouwerijen aan den Langenboom, bestaande uit twee huizen, twee schuren, een bakhuis, een zomerhuisje, twee moeshoven en aangelegen bouw, bosch en groesland, nieuwe erven, alles aan een stuk en groot ongeveer twintig bunders.” Zij betalen hiervoor drieduizend tweehonderd Hollandse guldens. Later kopen ze er in 1838 nog achtentwintig bunder en tien roeden heidegrond van de gemeente bij. Voor dit grote perceel woeste grond, dat tegen hun landerijen aan ligt, betalen ze 562 guldens.

Deze vier zusjes behoren tot een rijke familie uit Grave en hebben daar een winkel in stoffen en een bierbrouwerij. Een vijfde zusje Cornelia, is wel gehuwd enwel met Petrus Walter, wijnhandelaar en wethouder en burgemeester in Grave. Hij had twee zonen en één daarvan was Felix Walter. Hij was priester en daarnaast rentmeester van het landgoed Tongelaar. Dit behoorde aan de Belgische adellijke familie Thienes de Lombise. Die waren er vrijwel nooit, zodat Felix daar het gehele bedrijf leidde.

Zijn tantes Malingrez stierven en zo kreeg Felix een deel van hun erfenis. Dit bestond o.a. uit het landgoedje in Langenboom. Nog steeds werden de boerderijtjes verpacht, maar Felix wilde er iets anders mee doen.

Felix Walter zoals hij gefotografeerd staat op zijn bidprentje uit 1874

 

Rond 1843 liet hij op de aangekochte woeste grond een boerderijtje bouwen. Deze werd bewoond door W. Willems. Er bleek echter geen droog brood aan te verdienen te zijn en het huisje (staande aan de Gasthuisstraat) werd weer afgebroken. Felix liep met het idee rond om een kluis te stichten in Langenboom voor geestelijke broeders, die hij onder de boerenknechts uit de omtrek hoopte te recruteren. De volstrekte eenzaamheid leende zich, volgens hem, uitstekend tot een beschouwend leven. Enige goedgezinde jongelieden stelden zich onder zijn leiding en namen hun intrek in een van de beide boerenwoningen en werkten voorlopig bij de omwonende boeren. Het boerenhuis richtten zij in tot klooster, vergrootten het door een aanbouw, waarbij zij de stenen van het gesloopte huis aan de Gasthuisstraat gebruikten en verbouwden de aangrenzende stal tot een kerk. Zo was het klooster al in 1848 in zijn meest eenvoudige vorm voltooid. Welgemoed betrokken de broeders het kloostertje. Op zon- en feestdagen kwam Felix Walter, hun geestelijke leidsman, er de H. Mis lezen. Ook de bewoners uit de buurt kwamen er dan naar toe.

Na enige tijd kwamen ze echter tot de bittere ervaring, dat ook kluizenaars, ondanks hun toewijding, niet alleen van de lucht kunnen leven. Als slaven moesten zij zwoegen. Toen zij dit zware juk enige tijd hadden gedragen, ontzonk hun de moed. De een na de ander zegde dit onherbergzaam oord vaarwel. Zo vervloog het mooie plan van de ordestichter.

De Kluis zoals die in 1848 gevestigd was in de 3 gebouwtjes rechtsonder.

 

Omdat de buurtschap Langenboom gelegen was tussen de uithoeken van de parochies Mill, Zeeland en Escharen, en de boeren, vooral bij hoogwater, deze parochiekerken moeilijk konden bereiken, bleef Felix Walter op zon- en feestdagen daar de H. Mis lezen en godsdienst onderricht geven. Hij overlegde met Mgr. Zwijsen over een nieuwe invulling. Deze wilde Trappisten naar Langenboom laten komen, maar die hadden zo’n teruggetrokken leven binnen het klooster, dat Felix ze niet geschikt achtte voor de zielzorg van de omringende buurtschappen.

In een brief van Dominicaan P. Sjoukes van 7 dec. 1849, pastoor van de Broerskerk in Nijmegen aan Provinciaal P. Raken in Rotterdam, schrijft hij het volgende: “Bij gelegenheid der laatste wijdingen in Grave op 19 november jl., werd ik door den Weleerwaarde Heer Walter, priester en rentmeester van het kasteel en goederen te Tongelaar, verzocht om eens te komen zien naar een huis met publieke kapel te Langenboom, één uurtje van Grave gelegen, bij hetwelk 54 bunders grond, alles in eigendom van de familie Walter te Grave, hetwelk voormelde Eerw. Heer en familie aan onze orde wil ten geschenke geven, alsdien wij dat naar een klooster wilden inrigten en gebruiken.
Ik heb dezer dagen aan de uitnodiging voldaan en de zaken bevinden zich als volgt. Met 2 à 3000 fl. zouden wij de kapel en het huis zoodanig kunnen inrigten, dat er minstens 17 confraters in kunnen wonen. De kapel kan thans een 200 man bevatten, en er is veel vooruitzigt om er een parochiekerk van te krijgen, wijl de pastoor van Escharen er niet tegen is, maar er zeer naar genegen is, omdat de parochianen van Langenboom des winters door het hoge water nimmer naar hunne parochiekerk kunnen komen. De jaarlijkse opbrengst van het goed kan voorlopig slechts fl. 500 zijn, doch na verloop van tijd fl. 1.000”.

Waarom hadden de Dominicanen hier wel belangstelling voor?

Tijdens de 80-jarige oorlog (1568-1648) werden de katholieke Spanjaarden weggejaagd door de protestantse Oranjemannen. Als gevolg hiervan werden kerken en kloosters gesloten. Priesters werkten stiekem in schuilkerken. Dit duurde tot 1795, toen de katholieke Fransen ons land binnenvielen en de kerken weer teruggaven. In 1813 kwam in Nederland koning Willem I op de troon. Als protestant was hij niet zo happig op die katholieken en deze kregen dan ook niet veel rechten. Pas onder zijn zoon Willen II kwam er meer ruimte. Kloosters werden weer heropgericht en opleidingen werden gestart voor nieuwe priesterstudenten. In 1844 begon men in Nijmegen met een opleiding voor Dominicanen. Groot probleem daar was, dat men geen habijt mocht dragen in de stad en er niet volgens de eigen regel konden leven. Ook de huisvesting was er niet al te best, het was er vochtig en ongezond, de novicen (studenten) sliepen er op de tweede verdieping en moesten ’s winters hun vochtig geworden lakens gedurende de dag drogen. Om zelf wat frisse lucht te krijgen moesten ze een paar maal per week gaan wandelen, wat eigenlijk weer strijdig was met de kloosterregels.

Maar er speelde meer….

Er kwam bij de Dominicanen een interne tegenstelling aan het licht. Welke richting moest men als orde kiezen? Was dat de richting van zeer streng kloosterleven, of was dat op de eerste plaats de zielzorg en prediking. De hoofdleiding van de orde bestond vooral uit Franse paters en die wensten een streng kloosterleven. Men wilde daarom een nieuw klooster stichten, weg uit Nijmegen, waar het stadsbestuur de katholieken niet welgezind was.

Men besprak dit op 12 maart 1852 met apostolisch vicaris Mgr. Zwijsen, de latere bisschop van ’s-Hertogenbosch, en die gaf aan een nieuwe vestiging in Noord-Brabant nu geen probleem meer te vinden. Daar werden de katholieken niet achtergesteld. Twee jaar tevoren had men het ook al aan hem gevraagd, maar toen had hij het nog afgewezen.

Nu brachten de Dominicanen het aanbod van ruim 2 jaar geleden van Felix Walter weer ter sprake bij Mgr. Zwijsen. Na langdurig overleg zei de bisschop tenslotte: “Pater Provinciaal, het is mijne gewoonte niet, om op mijn genomen besluit terug te komen, doch gij hebt mij bewogen en overgehaald. Gij kunt den Langenboom voor uwe orde van den Eerw. Heer Walter accepteren aldaar ene kloosterinrichting te maken, het habijt zowel binnen als buitenshuis dragen. Ik zal de kerk aldaar tot een rectoraat maken”.

Het nieuwe klooster zou het eerste nieuwe klooster sinds drie eeuwen worden, dat door de Dominicanen zou worden gesticht. Dankbaar aanvaardde men daarom dit besluit en verzocht het ten spoedigste in werking te stellen. Onmiddellijk ging het bericht naar Grave, waar de Eerw. Heer Walter zich haastte de goederen in Langenboom, welke ten dele nog op naam van zijn tantes stonden,notarieel aan de orde over te dragen. Toch bleef hij ook nu nog een flinke vinger in de pap houden. Zo bleven nog enkele opbrengsten voor hem bestemd, zoals o.a. de verkoop van bomen.

Nog geen veertien dagen later trok Felix met twee timmerlieden en een metselaar, tezamen met dominicaan Van Zeeland de heide op naar het afgelegen Langenboom om in huis en kapel veranderingen aan te brengen. Wat later rukten nog een timmerman en een metselaar aan met 12 mud kalk en zo was na drie weken arbeid in hoofdzaak alles klaar om de kloosterlingen te ontvangen.

Kadastertekening van de schenking van Felix Walter aan de Dominicanen

 

In de kroniek van de Dominicanen staat het vertrek naar Langenboom als volgt beschreven:
“Eindelijk brak de dag aan van het vertrek, het was de 1e juli 1852. ’s Morgens in de vroegte ging novicenmeester Albertus. Zingerlé (een Fransman) met zijn 7 novicen op mars. Voor het eerst droegen ze het habijt buitenshuis. In Neerbosch werd hen door de zusters Dominicanessen koffie aangeboden. Vervolgens ging men welgemoed langs de Teersdijk naar Grave. Nadat ze de Hampoort achter zich hadden gelaten, werden de woningen schaarser, de weider dorder, de akkers schraler. Na een uur afmattend voortstappen over den mullen zandweg en de brandende julizon, zagen zij de Peelsche heide als een eenzame, onmetelijke woestenij zich voor hunne ontstelde blikken uitstrekken. Dat troosteloos gezicht, die onverstoorde eenzaamheid sloeg hunne opgewektheid neder; een drukkend gevoel beving hen, alsof zij voor altijd de bewoonde wereld hadden vaarwel gezegd en nu in de wildernis, van alles verlaten, hun jeugdig leven gingen begraven. P. Zingerlé putte al zijne vrome welsprekendheid uit om bij de jongelieden den moed er in te houden. Ten laatste bereikte het gezelschap het doel van den tocht, het zooveel besproken Langenboom. Als de Hollanders zich eene Hollandsche boerderij hadden voorgesteld, eene hofstede met vriendelijke vensters tusschen frisch geverfde luiken, met onberispelijk gevoegde muren met helderen, kleurigen baksteen, dan werden zij pijnlijk ontgoocheld. Daar stond een met stroo gedekte schuur, waarvan het lage dak aan weerskanten bijna tot den grond afhing. De drie kerkramen in den voorgevel en het daktorentje, als een schoorsteen met een kruis gekroond, verrieden, dat de schhur niet meer voor haar oorspronkelijk doel werd gebruikt, maar tot bedehuis was ingericht. Het klooster bestond uit een huis, eveneens met stroo gedekt, waartegen eene woning met pannendak was aangebouwd. Waarlijk zo, schreef Vincentius Zegers, een van de reisgenoten, we vonden hier een beestenstal, zoals de herders de Verlosser in Bethlehem”.

Praeses Albertus van den Burg, die al vooruit was gereisd, ontving de nieuwe bewoners allerhartelijkst. Omdat men voor 4 fraters Dominicanen (die zijn al iets verder in de opleiding) nog geen ander studiehuis kon vinden, kwamen die op 18 september 1853 ook naar Langenboom. Iets eerder waren al Thomas van der Heijden, P. Rensen en Ambrosius Wientjes gearriveerd. Zij kwamen de novicen en fraters onderrichten. Ook enkele Duitse broeders vonden hier een onderdak, zij zorgden voor het huishouden. In october telde het klooster 19 mannen: vijf paters, elf studenten en drie broeders. Om al deze kloosterlingen te huisvesten, had men celletjes moeten timmeren tot in de hanenbalken.

a. kapel, vroeger een beestenstal
b. klooster, vroeger een boerenwoning
c. klooster (later aangebouwd)
d. Noviciaat der geprofeste fraters
e. vertrekken van de novicen
(Tekening uit de kroniek der Dominicanen. Getekend gezien vanuit de toenmalige Kloosterstraat)

 

Het oude briefhoofd van het klooster in Langenboom

 

Zingerlé zorgde er voor, dat er een strenge ordetucht in het klooster heerste. Hij werd hierin ondersteund door zijn Franse superieuren. Enige soepelheid wegens plaatselijke omstandigheden of gebruiken werd niet toegestaan. De eenzijdige nadruk op boetedoening en grote soberheid bij het eten, ten koste van aandacht voor de opleiding, stuitte op verzet. Lichamelijke ongemakken, die het nieuwe klooster met zich meebracht versterkten de strenge sfeer. De novicen bewoonden kleine celletjes op de zolder, waar alleen door kleine steekramen wat licht naar binnen viel. Daar waren zij aan weer en wind blootgesteld. ’s Winters leden zij kou onder het dak door de ijzige wind, die over de onafzienbare vlakte joeg, ’s zomers vergingen zij als het ware van de hitte. De fraters-studenten die een verdieping lager woonden, hadden het wat geriefelijker. Het eten was buitengewoon sober, daarbij werden alle voorgeschreven vastenperiodes strikt nagevolgd. Ook onder de paters die les gaven, leidde dit strenge leven tot enig gemor. Het is een wonder, dat onder zoveel ontbering en onder zulke strenge leiding de nieuwelingen niet het voorbeeld volgden van de broeders van weleer en ook vertrokken. Het gebrek aan soepelheid van Zingerlé leidde er in 1854 toe, dat hij vervangen werd door Raymundus Hekking. De regels werden nu iets minder streng toegepast.

Hoe nietig het klooster in Langenboom ook was, en hoe ver achter heide en broekland verscholen, toch kreeg het in november 1853 al een bisschop op bezoek, nl. Gerardus Schepers, bisschop van Suriname. In allerijl maakte men vlaggen en schilden, anderen maakten kransen en slingers en stelden erebogen op. In al hun armoede kregen het schuurkerkje en het klooster een feestelijk aanzien. De boeren haalden hun paarden voor den dag, tuigden ze op met bloemen in halster en staartriem en draafden als erewacht de bisschop tegemoet.

Zeer hoog bezoek kwam er ook op 5 augustus 1856, nl. vicaris-generaal van de Dominicanen Jandel uit Frankrijk. Bij die gelegenheid zag hij ook met eigen ogen, dat een verplaatsing van het noviciaat zeer hard nodig was. Men kon in Langenboom vrij het habijt dragen en men volgde zeer goed de regels, maar het klooster trok nauwelijks nieuwe kandidaten. In de bijna 10 jaren dat het noviciaat in Nijmegen gevestigd was geweest kwamen er 27 nieuwe novicen, terwijl Langenboom maar 8 intredingen kreeg. Het was te onaantrekkelijk.

Overzicht van het kloostertje, geschilderd door Dominicaan A. Elsensohn, nu met op de achtergrond de Kloosterstraat