Home » 2e Wereldoorlog » De kanonnen van III-20 RA in de Meeren

Aan de Dellenweg in Langenboom staat onderstaand monument.
Wat stelt het voor en waarom is het daar geplaatst?

Indien we ons met een tijdmachine zouden kunnen terugverplaatsen naar Langenboom in april 1940 (sommigen van de lezers zullen geen tijdmachine nodig hebben, in hun eigen herinnering zien ze het nog voor zich) dan zouden we een dorp zien vol met militairen.

Vanaf april 1939 waren er hier al soldaten ingekwartierd. Toen Polen dreigde binnengevallen te worden door Duitsland, werd op 28 augustus 1939 een algehele mobilisatie afgekondigd. Bij die mobilisatie werden alle soldaten, die tussen 1924 en 1939 in dienst waren geweest onder de wapenen geroepen. Daardoor werd het hier nog veel drukker. Dat was het gevolg van het aanleggen van een verdedigingslinie. nl. de Peel-Raam stelling. Er werd een Defensiekanaal gegraven en niet alleen werden daarlangs kazematten gebouwd, maar er kwamen ook hele verdedigingswerken in de vorm van prikkeldraadversperringen, mijnenvelden, loopgraven, mitrailleursopstellingen enz. Die soldaten, maar ook burgers, waren daar druk mee bezig.

Tot 15 april 1940 lagen in het gedeelte van Mill tot en met de Maurik ong. 5.000 militairen. Maar vanwege gewijzigde verdedigingsoverwegingen werden toen ong. 3.000 soldaten teruggetrokken nabij Den Bosch. Zij namen ook vrijwel alle groter geschut mee. Daar moest een oplossing voor komen.

Nieuw Regiment
In april 1940 werden Denemarken en Noorwegen binnengevallen door Duitse troepen en steeg de spanning snel. Hoe moest men dat gebrek aan kanonnen oplossen? Er waren wel nieuwe besteld in Duitsland, maar door vertraging waren die er nog niet. Rondom Den Haag stonden in een viertal depots nog een aantal oude zogenaamde 8 Staal kanonnen opgeslagen. Die konden nog gebruikt worden. Enkele officieren kregen de opdracht zich op 18 april in Den Haag te melden, want zij zouden de leiding krijgen over de 3e afdeling van het 20e Regiment Artillerie, dat toen werd opgericht. Tot commandant werd benoemd kapitein S.L. Groenewoud, een ingenieur van 47 jaar, die in het dagelijkse leven bij de Nederlandse Spoorwegen werkte. Het personeel werd uit de vier depots samengeraapt. Het kende elkaar nauwelijks of niet. Het waren vrijwel allemaal reservisten ( dus geen beroepssoldaten), die nog nooit met een kanon 8 Staal geschoten hadden.

Kanon 8 Staal
Dit was eigenlijk een antiek kanon, dat in het museum thuis hoorde. Zestig jaar eerder, nl. in 1880 kwamen de kanonnen uit de fabriek van Krupp te Essen in Duitsland rollen. Ze behoorden toen tot de modernste ter wereld met een vuursnelheid van 2 schoten per minuut. Het waren geen voorladers meer, maar achterladers. Ze moesten nog wel met gescheiden munitie geladen worden, dus eerst een granaat en daarachter een drijflading (kruit apart verpakt, de z.g. kardoes) aanbrengen. Bij ieder schot steigerde het kanon en schoot een stuk naar achteren en dan moest men weer opnieuw gaan richten. Ze konden ong. 5 km ver schieten, maar waren maar tot 3 km nauwkeurig. Ze werden 8 Staal genoemd, omdat ze al van staal waren gegoten en niet meer van brons, zoals eerder altijd gebeurde en de 8 stond voor de 8cm doorsnee van de granaten. In 1932 werden de kanonnen afgevoerd bij de troepen en opgeslagen in depots. Misschien kwamen ze nog ooit van pas, je weet maar nooit.

Naar De Peel

Op 27 april werden er 12 kanonnen in Den Haag op spoorwegwagons geladen. Ook veewagens moesten mee, want de kanonnen werden voortgetrokken door paarden. In totaal gingen er ongeveer 215 soldaten mee. In Uden werd alles ontladen en betrok men het voorlopige onderkomen in Nabbegat / Voederheil in Zeeland. De paarden stonden in boerderijen, terwijl de soldaten barakken betrokken. Dagelijks ging een gedeelte van de soldaten naar Langenboom om de stellingen aldaar in orde te brengen. Er werden piketpaaltjes geslagen, zodat precies al de richting werd bepaald waarop geschoten moest worden, nl. het gedeelte van Mill tussen de bruggen in de Graafseweg en Langenboomseweg net over het Defensiekanaal. Daar verwachtte men een eventuele Duitse aanval. Er werden telefoonlijnen aangelegd tussen de verschillende batterijen en de commandoposten. Anderen gingen oefenen zo goed en zo kwaad als het kon. Een officier verzuchtte: “Het is soms om wanhopig van te worden – ze zijn volkomen ongeoefend en ons materiaal is zo ellendig oud ….” Plotseling kwam op 7 mei de mededeling, dat alle verloven waren ingetrokken en dat onmiddellijk de stellingen betrokken moesten worden. De orders vlogen uit. Het begon al te schemeren. In grote haast werd alles in gereedheid gebracht voor de afmars naar Langenboom. Ieder kanon met een voorwagen waarop 2 voerlui zaten en geladen met granaten, werd getrokken door 2 paarden. Sommigen beschikten over een fiets of konden met de munitie-auto´s meerijden, de rest ging te voet. Zo trok men via Voederheil, Kleine Graspeel, Langenboomseweg, Zeelandseweg door Langenboom naar het stellingenterrein. De weg via de Graspeel en Langstraat zou veel korter zijn geweest, maar dat waren toen rulle zandwegen, dat konden de paarden niet trekken.

Paniek
Net voor het vertrek uit Zeeland kwam opperwachtmeester Aart Nikkel met een alarmerende bericht het stafbureau binnenrennen: “10 van de 12 afvuurpistolen zijn defect. Zij kunnen, als de granaten zijn geplaatst in het kanon, niet precies teruggeplaatst worden, zodat het slagpijpje bij het vuren, het slaghoedje niet raakt. Er kan niet mee geschoten worden”. Deze opperwachtmeester was de enige, die in het verre verleden, ervaring had gehad met het schieten met deze kanon en het nu ontdekte. Onmiddellijk werden de afvuurpistolen bij de kanonnen weggehaald en met een auto verdween hij ermee in het donker naar Philips in Eindhoven. Een Duitse baas van de instrumenten-makerij vertikte het eerst om zijn mensen te laten halen, maar na sterk aandringen van Nikkel (men zegt met het pistool op zijn borst) werden ze opgetrommeld en kreeg hij het voor elkaar, dat ze daar in één nacht gerepareerd werden. In de loop van 8 mei kwam hij bij de troepen terug, die ondertussen in Langenboom druk bezig waren

Waar stonden de kanonnen?

De 12 kanonnen waren verdeeld over 3 groepen, die batterijen werden genoemd. Iedere batterij bestond uit ong. 55 personen. Daarnaast was er nog een stafafdeling van ong. 50 personen. De 3e of linker-batterij met 4 kanonnen betrok zijn plaatsen vooraan aan de rechterzijde van de Hendriksweg, daar waar nu de fam. Van Doorn woont.

De kanonnen stonden ong. 20m. van elkaar. Hun commandant was 1e Luitenant J. van Soest, een ingenieur bij het bosbouw-proefstation in Wageningen. Het was nog een jong kereltje van 26 jaar. Zijn commandopost was waarschijnlijk het oude boerderijtje van Johannes van Boxtel aan de Kruisstraat 5 (nu woont daar de fam. Scheers).

De 2e of midden-batterij plaatste zijn kanonnen iets verderop, aan de linkerzijde van de Hendriksweg. Het eerste kanon stond links naast het huis van Jan Kerstens sr. (Hendriksweg 8), terwijl het 2e aan de andere zijde van dat huis stond. De andere 2 kanonnen stonden verder naar achteren langs die weg. Hun commandant was 1e luitenant J. Klopper, directeur van een bedrijf uit Amsterdam. Hij had zijn commandopost in de boerderij van Harrie Siroen (Zuid Carolinaweg 14), later woonde Van Katwijk hier.

Omdat alle kanonnen ongeveer in een rechte lijn moesten staan, kwamen de kanonnen van de 1e of rechter-batterij aan de Dellenweg in het veld te staan. Dat was toen heide met wat struikjes en een enkel boompje. (Zie tekening).

De leiding werd daar gegeven door 1e luitenant H.J. Mulder, hij was 40 jaar en werkzaam als ambtenaar bij het Bedrijfschap voor Zuivel in Den Haag. Hij had zijn commandopost op de stal bij Driekske Janssen aan de Dellenweg 30 (Nu wonen er Cees en Nellie de Klein).

Luitenant H.J. Mulder

Dan was er nog de Stafafdeling. Zij namen als commandopost de boerderij van Lambertus Hendriks. Op 11 mei is deze boerderij afgebrand. (Haverstraat 25 en nu wonen er Bas Berents en Mirjam Delpeut). Kapitein Groenewoud gaf vandaaruit leiding aan het geheel. Tot die staf behoorden o.a. ordonnansen, ziekenverplegers, een arts (dr. Romondt), paardenverzorgers, koks, administrateur en telegrafisten. Alle soldaten sliepen in boerderijen of in enkele barakken daar in de buurt.

Woensdag 8 en donderdag 9 mei
Hard werd er gewerkt om de stellingen verder in te richten. Zandzakken werden gevuld, er werd gegraven, zodat men bij een aanval enigszins beschut zat. De kanonnen werden gecamoufleerd met netten of kippengaas met veel groene takken en er kwamen munitiebergplaatsen. De munitieauto´s voerden granaten aan. Die waren er in overvloed, 500 stuks per kanon. De vrachtauto´s stonden verspreid en verdekt opgesteld bij de boerderijen verder naar achteren langs de zandweg door de Langstraat. Iedereen, behalve de wacht, ging moe naar de strozakken.

En dan breekt de hel los.

Op vrijdag 10 mei kwam om 1 uur ´s nachts een ordonnans binnenstormen. Alarm. Iedereen moest om 2 uur geheel gereed en gevechtsvaardig zijn, want er kwamen alarmerende berichten van de grens. Vol spanning wachtte men. Zou er dan toch een oorlog uitbreken. Nederland had al ruim 100 jaar geen oorlog meer gehad. Zenuwachtig speurde men in de duisternis. Dan, rond half 4 kwam er vanuit het oosten een monotoon gedreun opzetten, steeds luider. Honderden vliegtuigen hoog in de lucht. Op weg naar Engeland dacht men eerst, maar dan kwam het bericht dat de grens door Duitsers was overschreden. Het werd menens.
Omdat de kanonnen jaren niet geschoten hadden en men niet wist of de granaten precies op de goede plaats in Mill zouden terechtkomen, besloot men een proeflaag af te geven. Enkele militairen o.l.v. luitenant Fennell gingen toen het net iets licht begon te worden naar de voorste linie bij het Defensiekanaal, zodat ze precies konden zien waar de granaten in zouden slaan. Nadat men telefonisch gemeld had dat ze aangekomen waren, gaf kapitein Groenewoud het commando: vuren. De rechterbatterij: bangg -bangg – bangg – bangg. Daarna de midden- en linkerbatterij: bangg – bangg – bangg – bangg. In de omgeving sprongen alle ruiten eruit en schudden en trilden de huizen, maar alle kanonnen werkten en de meeste granaten kwamen op de goede plek aan, alhoewel er eentje insloeg in de oude school achter het toenmalige gemeentehuis en een ander in een huis aan de Hoogstraat, waarbij 3 doden te betreuren waren. De vrachtauto´s reden af en aan om nieuwe granaten te brengen. Ondertussen kwamen de vliegtuigen steeds lager, het waren jagers, die het op hen gemunt hadden. Tek -tek – tek – tek – tek …. ratelden hun mitrailleurs op de posten. Overal zocht men dekking, achter kippenhokken, strobossen, bomen en in loopgraven. Ze hadden geen luchtdoelgeschut om daar iets tegen te doen.

Pantsertrein
Luitenant Fennell, die nog vooraan zat, meldde rond half 5: “Een pantsertrein met daarachter een goederentrein …. rijdt door …. stopt een eind achter het front ….. pas op vijandelijke soldaten in de rug”. Meteen ging men op de uitkijk staan. Enige tijd later hoorde men een enorme herrie. De pantsertrein was op de terugtocht ontspoord, omdat hij op zg. asperges op het spoor knalde. Die had men snel geplaatst.

De goederentrein echter had enkele honderden meters voorbij de huidige Middenpeelweg een heel bataljon soldaten gelost, ong. 800 militairen. Hun commandant, de Duitse Major Schenk, had al snel in de gaten, dat achter de kazematten zich maar weinig soldaten bevonden en hij besloot een poging te wagen de Nederlandse troepen te verrassen en in de rug aan te vallen. Dat daar kanonnen stonden, was hem helemaal onbekend. Ze stonden er ook pas enkele dagen. Met ruim 350 militairen trok hij de Spie in en kwam van de Udensedijk over een grote breedte van wel 300m richting de Meeren. Ze hadden de stalknechts, die daar zorgden voor de paarden al gevangen genomen. Het was luitenant Mulder die vanaf de boerderij van Driekske Janssen aan de Dellenweg zag, dat er Duitsers op ong. 900m naderden. Hoe moest men ze tegenhouden? Ze beschikten niet over mitrailleurs, enkel wat karabijnen en de kanonnen, die helemaal verkeerd gericht stonden. Mulder vroeg onmiddellijk of hij de kanonnen mocht draaien om te vuren. Kapitein Groenewoud gaf toestemming om met één vuurmond te schieten. Dat hielp niet, de Duitsers liepen gewoon door. Daarop draaiden de andere 3 en werd er gevuurd met alle 4 de kanonnen van die batterij. De Duitse opmars bleek nog niet te stuiten. Ze naderden gevaarlijk.

Mulder belde naar de centrale commandopost en kreeg luitenant Robbé Groskamp aan de lijn. “Groskamp, ik moet onmiddellijk hulp hebben, ze naderen, ik kan ze alleen niet de baas.” Robbé Groskamp reageerde meteen en verbond Mulder met de 2 andere commandanten Klopper en Van Soest en vroeg hen om ook te gaan schieten. Groskamp riep: “Mulder, de midden en linker batterij zien niets, geef aan in welke richting ze moeten vuren…..Mulder: Recht over mij heen”. De rechter batterij vuurde heftig. In aller haast gooiden nu ook de midden en linker batterij hun stukken ongeveer 120° rechtsom en vielen in: bangg – bangg – bangg. (2 kanonnen van de midden batterij konden niet vuren: bij één stond het huis van Kerstens in de weg, bij de tweede hinderden hoge bomen het schieten.) Deze nog nooit vertoonde wijze van vuren was zeer link. Men schoot deels over elkaar heen. Er was gevaar door eigen vuur getroffen te worden. Wanneer één kanon van een batterij vuurde, bukte de bediening van de andere stukken achter zandzakken om zich te beschermen tegen de vuurstraal en de luchtverplaatsing. “Wild werd er gezwoegd – opzij - bangg – achteruit steigert het kanon, de kanonniers zwoegen hem weer op z´n plaats, tegelijk worden nieuwe granaten aangesleept. Open dat sluitstuk - hete walm slaat in hun gezicht, kan niet verdommen – laden, gooi om die staart naar rechts – klaar – opzij – een schreeuw dat men moest bukken en dan bangg.” Het begon goed te gaan. Mulder leidde het vuur, geholpen door wachtmeester Reinards, die op het dak van de boerderij was geklommen en naar Mulder beneden schreeuwde, waar de granaten neerkwamen. “ Je moet 100 m terug vuren en 2 handbreedtes naar links”. Korter werd de afstand, de lopen van de kanonnen steeds lager, wilder de actie. Zwoegen, zwoegen en dat met die onhandige stokoude kanonnen. Nog steeds rukten de Duitsers op.

Situatietekening van luitenant H.J.Mulder

Hun gewonden werden naar de stal van het Pannenhuis gebracht, de boerderij van Frans Thelosen aan het einde van de Dellenweg.) Ondertussen werden onder leiding van opperwachtmeester Nikkel de kanonnen van de rechterbatterij van de hei af gesleept en op de Dellenweg naast elkaar opgesteld, zodat ze nu alle 4 tegelijk konden vuren. Mulder schreeuwde in de telefoon: “Volhouden, misschien halen we het.” Ze waren al op ongeveer 300 meter genaderd. Mulder keek, de Duitse aanval was verlangzaamd, zag hij het goed? Stopten ze? Ja waarachtig, ze aarzelden – bangg – bangg – de granaten sloegen vanaf korte afstand tussen hen in. Ja, ze begonnen te wijken. “Volhouden, doorgaan”. De Duitsers vloeiden terug – dit was hen te machtig – dit hadden ze niet verwacht. “ 50m verder naar achteren richten, ze gaan terug, jaag ze weg – bangg – bangg”. Uiteindelijk klonk het verlossende “ houd op vuur - bravo jongens – dit was een geweldig stukje samenwerking”. Men was ong. één uur aan het vuren geweest. Alleen de 4 kanonnen van de rechterbatterij hadden samen al 158 granaten afgevuurd, daar kwamen de vele granaten van de andere vuurmonden nog bij. Tezamen hadden ze een prestatie geleverd, uniek in de militaire historie. Nog nooit vertoond. De Duitse opmars bij Mill was ernstig vertraagd.

Beschieten pantsertrein
Nadat men zeker wist dat de Duitsers waren teruggetrokken, werden de kanonnen weer op de oude plaatsen teruggezet, klaar om de aanval bij Mill te keren. Om 5 uur ´s middags kreeg men het verzoek de ontspoorde pantsertrein te beschieten, omdat vanuit de trein de Duitsers schoten op Hollandse troepen. Met alleen een kaart, want men kon niets waarnemen, werd uitgerekend hoe ver men moest schieten en werden er enkele granaten op afgevuurd. Ze waren zeer goed gericht en hadden tot gevolg, dat de Duitsers de trein verlieten en men er minder last van had.

Bombardement
Het zal tegen 6 uur ´s avonds geweest zijn, dat een groep van 9 bommenwerpers verscheen en systematisch het terrein vlak voor de batterijen met bommen bezaaide. Dit bombardement maakte een ontzettende indruk. Het kwam steeds dichterbij. Spoedig vlogen huizen, bossen enz. in brand. De boerderijen kraakten en piepten, kalk en stof kwam naar beneden. Als door een wonder bleven ze bespaard, alleen kapitein Groenewoud kreeg een splinter in zijn oog, waardoor hij het zicht hierin verloor. Van de linker batterij, die het ´t zwaarst te verduren had, trokken er een flink aantal soldaten terug naar de commandopost aan de Haverstraat. Na een uur stopte het bombardement. De soldaten waren nauwelijks in de hand te houden geweest zo angstaanjagend kortbij vielen de bommen. De chaos werd die avond steeds groter, toen na zonsondergang er steeds meer mitrailleurvuur van meerdere kanten kwam. Meerdere telefoonverbindingen deden het niet meer. De Duitsers waren doorgebroken. Op vele plaatsen stonden huizen in brand. Men kreeg het bevel terug te trekken. Snel werden er nog zoveel mogelijk granaten afgevuurd op Mill, een zg. stormvuur. Hierna werden de afvuurpistolen van de kanonnen afgehaald en die werden meegenomen, zodat er niet meer mee geschoten kon worden. Tot op het laatste moment hadden ze gestreden. Het was niet mogelijk het 8 staal geschut mee terug te nemen: van de paarden hadden er meerdere het gevecht niet overleefd

Uitzonderlijke prestatie
Na de 2e W.O. werden militairen geëerd, die een uitzonderlijke prestatie hadden geleverd. Daartoe behoorde ook luitenant H.J. Mulder, de commandant van de rechterbatterij, die leiding had gegeven om de aanval van de Duitsers af te slaan. Hij kreeg op 2 aug. 1946 de hoogst mogelijke onderscheiding: “Ridder in de Militaire Willems-Orde” uitgereikt van koningin Wilhelmina.
In 1990 werd er zelfs een kazerne naar hem vernoemd in Stroe. Ook kapitein
S. Groenewoud en opperwachtmeester Aart Nikkel hadden bewezen zeer moedig te zijn geweest en beleidvol te hebben opgetreden: zij ontvingen het Bronzen Kruis. Dit tekent overduidelijk, dat er daar toen aan de Hendriks- en Dellenweg militair iets uitzonderlijks heeft plaatsgevonden.

Monument
De herinnering aan die bijzondere gebeurtenis wilde men levend houden. Daartoe werd een monument geplaatst op de hoek Dellenweg – Zeelandsedijk, precies tussen de plaatsen waar de rechter- en de midden-batterij hadden gestaan. Het ontwerp kwam van de kunstenaar Cees Braat. Jammer is, dat het afgebeelde kanon precies de verkeerde kant op gericht staat. Op 10 mei 2003 werd het plechtig onthuld door de 94-jarige 1e luitenant H. Robbé Groskamp en de 83-jarige kanonnier H. van Kampen. Zij hadden beiden aan de strijd deelgenomen. Een monument dat ze verdiend hadden.