Home » Uit historie Langenboom » De Abdijboerderijen

De abdij boerderijen

Het gebied waar enkele jaren geleden grote graafmachines druk bezig zijn met het weer laten meanderen van de Hoge Raam, zoals dat was voor 1841, heeft al een rijke historie achter de rug. Het is een van de oudste gebieden in Langenboom waar al vroeg bewoning bekend is. (Zie artikel: Langenboom al vroeg bewoond)

 

Kaartje uit 1838, waarop duidelijk te zien is, dat de huidige Scheiwal, toen in 1838 vanaf de Vliesweg richting De Zandvoort, zeer erg kronkelde. Dit is enkele jaren terug weer zo hersteld, nadat het in 1841 was rechtgetrokken.

 

Vaak wordt het gebied aangeduid met de naam Kroondomeinen. Deze naam heeft het echter pas ongeveer 200 jaar geleden verworven, toen het in bezit van de Kroon kwam. Ook wordt het wel aangeduid met “De Heuf”, oftewel de Hoven of Hoeven. Ook de naam Princehoeven wordt genoemd. Prachtige oude boerderijen staan hier al eeuwenlang in het landschap, nl. De Logt of soms De Lucht genoemd – De Zandvoort – De Schaapsdijk en de Eerste en Tweede Halve Hof op Hal” (Hooghal). De Eerste Halve Hof op Hal is helaas een tachtigtal jaren geleden afgebrand en niet meer opgebouwd. Ze liggen in een glooiend landschap met prachtige vergezichten, waarin deze boerderijen al honderden jaren het beeld bepalen.

 

900 jaar terug

We nemen u daarom mee in het verleden om wat meer te vertellen over de rijke historie van dit gebied.

Rond de tijd van 1100 behoorde ons dorp bij het Land van Cuijk. De Heren van Cuijk waren ook de eigenaren van het overgrote deel van het grondgebied. De Peel vormde nog een woest terrein, waar alleen aan de rand wat werd afgeknaagd om te ontginnen, maar dit gebeurde sporadisch. De bebouwing met enkele verspreide boerderijtjes was vooral te vinden in De Lage Peel, De Lage Heide en De Maurik.

De heren van Cuijk waren afkomstig vanuit het gebied nabij Geldermalsen en daar hadden ze ook veel gebied in eigen bezit. Zoals toen wel meer gebruikelijk was, zorgden de graven en hertogen voor de stichting van kloosters. Dat was goed voor hun latere zielenheil. Zo ook de Van Cuijks. In 1129 werd er een oorkonde opgesteld waarin Alveradis, de weduwe van Hendrik van Cuijk, een aantal goederen afstond ter stichting van een Norbertijner abdij in het gebied nabij Beesd. Deze abdij kreeg de naam Mariënweerd en was gelegen nabij de oevers van het riviertje De Linge in de Betuwe.

Huidige Marienweerd

 

Wat had nu Langenboom met deze abdij Mariënweerd te maken?
De Heren van Cuijk en familie bleven deze abdij met enige regelmaat goederen schenken. Rond 1200 schonken de zonen van Hendrik I van Arnsberg (familie van de Van Cuijks) een halve hoeve in Hal met alle bijkomende rechten aan de abdij Mariënweerd. Hal of Halle was toentertijd de plaatsaanduiding van het gebied, dat pas later de naam Langenboom zou krijgen. Waarschijnlijk is deze halve hoeve de “Eerste Halve Hof” op Hal geweest. Het moet geschonken zijn vóór 1210, want een van de ondertekenaars is in dat jaar overleden. Tevoren was al in of voor 1160 door de familie Van Cuijk een landgoed in Mill aan de abdij geschonken. Het landgoed droeg de naam Pisla. Daarnaast verkocht in 1228 de Benedictijner abt van Echternach (Luxemburg) een landgoed in Mill ook aan de abdij Mariënweerd. Mogelijk afkomstig nog van de missionaris Sint Willibrord, die hier rond 800 heeft gepredikt en goederen had verworven en deze schonk aan het klooster in Echternach. Vandaar ook in Mill nu nog de namen Mariënweerd en Sint Willibrordus als de patroon van de kerk. Bij de abdij Mariënweerd behoorden in Mill o.a. de boerderijen: De Volre – de Nieuwen Hof – de Vloet – Hof ten Hove – ’t Hekken – Hof aan de kerk. Tevens hoorde de kapel Onze-Lieve-Vrouw ten Hove bij de abdij. (Nu trouwkapel)

Huidige kapel Onze-Lieve-Vrouw ten Hove

Grensgeschil
De stad Grave en de abdij Mariënweerd hadden al enige jaren grote geschillen met elkaar over het eigendom en grenzen van de landerijen in Hal. Ze riepen er Otto, heer van Cuijk bij, en die deed in 1330 de navolgende uitspraak:

“Wi Otto, here van Kuyc, maken condt allen luden die dese lettre selen sien of horen lesen, dat eersome lude die abt ende tconvent (klooster) van Sente Marienweerde van eenre partyen, ende die stat van den Grave ende onze ghemene lant van der anderpartyen, van allen twiste ende van allen becronen dat si ondertusghen ghehadt hebben alse van ghemeenten die bi den hove van Halle gheleghen is, met eendrachticheet ende met vryen wille an ons ende op onze zeeghen bleven sijn, waer op dat wi ons met onsen vrienden wale beraden hebben ende seghen als hierna bescreven is. Den voernoemden abt ende den convente seeghen wi erflike ende ewelike toe behoren selen, alle lant ende erve van Halrevoert tusghen den Heedacker ende tusghen tgoet van der Heiden, ende voert neven Halrebosch ende tusghen die Riet ende tusghen Auderhalle, alsoe alst daer beputht ende bepaelt is, ende van Auderhalle tot aen dien weghe die van Halle tot Millewaert gaet tusghen den Vosculen ende tusghen den Scaepdike, ende voert tot ten drien eyken omme den Hogenbosch, ende van omme den Hogenbosch ter Waghen done toe, ende neven die Waghen done ten Nuwen dike toe, ende van den Nuwen dike ten Heedacker toe, benevens den weghe die gaet van den Grave ter Zeelander waert, ende voert omme den Heedacker uten weghe die van Gale coemt ende gaet in Halrevoert die boven ghenoemt is. Dit vernoemde lant ende erve alst hijr boven omleedt, beputht ende bepaelt is, seeghe wi den abt ende den convent voernoemt toe, also datsi dat erflike ende ewelijke behauden solen ende daermede horen orbaer doen als met horen eyghenen goede; voert in Horenbosche ende opten Horen solen si scutten, also alsmen boven en beneden te scietten pleecht. Ende wat buten desen putten ende buten desen palen ende beleidinghen is, dat seeghe wi onser stat van den Grave ende den ghemenen lande toe. Wi willen dat dit seeghen ende dese beleidinghe vast ende gestade blive, daer omme is dese lettre beseghelt met onsen seghel ende met seghelen des heren van Ghenep, heren Heinries van Hoeps ende met seghel der stat van den Grave.

Ghegheven int jaer ons Heren MCCCXXX, op sente Servatius dach. (13 mei)”.

Waar precies de grens tussen het land van Grave en dat van Mariënweerd gelopen heeft, is moeilijk meer terug te vinden, omdat een aantal plaatsaanduidingen (toponiemen) door de loop van de tijd niet meer in gebruik zijn. Wel wordt er al gesproken over de Schaapsdijk. Of de boerderij er al gestaan heeft weten we niet, omdat een dijk toentertijd een verhoogde weg was in het landschap. Denk aan de al eeuwenoude Udensedijk, Zeelandsedijk enz. De weg van Grave naar Zeeland liep toen vanaf de Hogeweg, via ’t Hoekske en de Zandvoort zo naar Zeeland. Het werd de Bossche Baan genoemd, omdat men vandaar ook naar de molen in de Reek ging. Dat gebied iets verder dan die molen daar noemde men Gaal. (Wordt in de oude akte nog genoemd).

Oppervlakte
In 1340 bezat abdij Mariënweerd in Hal ongeveer 316 morgen grond. (Een morgen was ong. 80 are). Hiervan was 250 morgen onontgonnen en 66 morgen ontgonnen grond. De abdij heeft nooit veel grond ontgonnen. De 316 morgen was vanaf 1200 tot 1350 vooral verworven door enkele schenkingen, maar vooral door aankoop. Een bijzondere uitbreiding kreeg het nog op 20 maart 1340. In het Cartularium (register) van de abdij staat vermeld “Wij, Inwanus Werneri en Wilhelmus Lauwardi, schepenen te Grave, getuigen, dat, geplaatst voor de rechter en voor ons, Everardus, zoon van wijlen Arnoldus van Halle, een hofstede in Hal, die hij placht te bewonen, heeft afgestaan in handen van Ghenekin, bediende van de in Christus eerwaarde vader abt van Mariënweerd”. (Mogelijk wordt hier boerderij De Zandvoort bedoeld). Aan de naam Everardus en Arnoldus van Halle kun je zien, dat mensen naar het gebied werden genoemd waar ze woonden.

Teelt
De 66 morgen akkerland in Hal werden rond 1360 bewerkt vanuit de eerste Hof, die de abdij al lang in bezit had en vanuit nog twee andere hoeven. Vrijwel alle grond was bezaaid met rogge. Twee eeuwen later was dit nauwelijks veranderd en bestond nog 84 % uit roggeteelt. Het overige akkerland werd toen bezaaid met het nieuwe zandgrondgewas boekweit. Iedere hoeve had rond de zes paarden, ze werden vooral gehouden om hun trekkracht en niet voor de fokkerij. Aan dieren op de hoeven in 1539 hadden ze na slacht en verkoop nog schapen (ong. 90 per hoeve), die rondliepen op het grote onontgonnen gebied dat erbij hoorde. Ook varkens werden gehouden (rond de zes per hoeve) en daarnaast 8 koeien en negen “guyster rynder” oftewel koeien die nog niet gekalfd hadden. Deze werden vooral gehoed op de “Graspeel”, een peelgebied waar beperkt gras op groeide.

Oude tekening uit 1301, waarop aan de linkerzijde verschillende stippellijnen staan, die de grensverschillen aangeven over de Graspeel, tussen het Land van Cuijk en het Land van Ravenstein. Ook bij de adbijboerderijen stond de grens niet precies vast.

Beheer
De hoeven of uithoven, zoals ze toen genoemd werden, kwamen in het begin onder beheer te staan van een priester-kanunnik, die daarbij hulp kreeg van lekebroeders en onvrijen. Deze onvrijen behoorden bij de hoeve en waren zodoende eigendom van de abdij. Na 1300 veranderde de situatie behoorlijk. Het aantal lekebroeders verminderde vrij sterk en ook het systeem van onvrijen veranderde. Zij kregen steeds meer vrijheid en werd het steeds moeilijker hen op de hoeven te houden. Daarnaast stegen de arbeidslonen. Hoe moest men dit oplossen? Men vond dit in het verpachten van de boerderijen. Er kwam een rentmeester voor het toezicht. Ook de pastoor van Mill hield een oogje in het zeil, want de abdij van Mariënweerd had het recht die pastoor te benoemen en dat waren altijd priesters van hun orde, dus Norbertijnen.

De pachter moest een behoorlijk deel van de opbrengst afstaan aan de abdij. Men sprak over halfpacht. Hierbij werd eerst 10% van de opbrengst opzij gezet. Dit waren de zg. tienden, een “belasting” of tijns zoals men toen zei, die iedereen moest betalen. Kwam vroeger vaak ten goede aan de kerk. Deze ging in dit geval naar de abdij. Nadat de 10% eraf was gegaan, werd de rest doormidden gedeeld en kreeg ook hier de abdij de helft. De pachter hield dus minder dan de helft voor zichzelf over. Wel moet gezegd worden, dat de abdij de helft van de aankoop van dieren of zaaigoed voor haar rekening nam. Rond 1560 ging men over op verpachting tegen een vaste som. In Hal bestond die voor het grootste deel uit natura, vooral malder rogge (70%) (een malder is een oude inhoudsmaat van ruim 100 liter, deze werd verdeeld in zes vat) en uit een betaling in geld (30%). Daarnaast had de abdij hier nog inkomsten uit de verkoop van hout (vooral eikenhout) en turf. De boerderijen werden meestal gepacht voor een periode van 10 jaar. Later werd dit teruggebracht naar 8 of 6 jaar, zodat men wat sneller de pacht kon bijstellen. De pacht diende voldaan ze zijn vóór of op Sint-Pieters-Stoel dag, oftewel 22 februari. Vaak waren de pachters welgestelde boeren, die soms vele jaren achtereen de pacht hadden. Bij het afsluiten van een pachtcontract eiste de abdij een zg. eenmalige “toebaat”. Dit bestond uit ong. 150 liter wijn, twee pond peper, 150 pond goei boter, 25 hoenders en 25 kapoenen. (gecastreerde vetgemeste hanen).

Boerderij "De Logt" rond 1950

Ontginning
Hoewel er in Hal bij de drie hoeven veel onontgonnen grond behoorde, heeft de abdij nauwelijks pogingen gedaan die te ontginnen. In 1360 was er 66 morgen ontgonnen, in 1822 was dit pas 108 morgen geworden. In 560 jaar is er dus niet erg veel werk van gemaakt. Meestal waren het nog de pachters die dit ontginningwerk deden. Zo hebben pachters in 1583 “laeten affgraven, uuytraeyen ende omspaeyen, ende hebben daerop eyckelen doen seyden, die gecost hebben 2 gulden, 10 stuyver. Ende den bouwman voor arbeytsloon gegeven 8½ gulden”.

 

Welke betekenis hadden de boerderijen op Hal voor de abdij?
Allereerst vormde het een tussenstation voor personen van de abdij, die op weg waren naar het zuiden of nog verder. Zij vonden hier een overnachtingsplaats, kregen een maaltijd en de paarden werden gevoederd. Daarnaast kreeg de Millse pastoor uit de opbrengst van de tienden een behoorlijk bedrag om van te kunnen leven. Hij hoorde zoals gezegd bij de Norbertijner orde. Ook de rentmeester werd meestal in rogge betaald. Wat er aan rogge over was werd naar de abdij getransporteerd om als broodgraan dienst te doen. Dit transporteren gebeurde per schip vanuit Grave. De pachters hadden de plicht om die rogge zelf naar Grave te vervoeren, hier kwamen heel wat karren bij te pas. In Grave werd de rogge op graanzolders opgeslagen. De abdij had hier een eigen groot gebouw. De rogge die men zelf niet nodig had werd in Grave verkocht. Zij wachtte hierbij op het tijdstip, dat de roggeprijs het hoogst was, meestal in mei en juni, dan was er bijna geen rogge meer en de nieuwe oogst moest nog komen. Vanwege de hoge vervoerskosten werden turf en hout hier ter plaatse verkocht en ging een deel van de opbrengst naar de abdij.
Producten met lage vervoerskosten gingen wel naar de abdij toe. Zoals hiervoor aangegeven, was dit vooral rogge, maar ook schapen en wol. De abdij had zich het recht voorgehouden om ieder jaar op iedere pachthoeve een hamel uit te kiezen en enkele hamels vanuit de pacht. Een hamel is een gecastreerde ram. Deze schapen liepen op het onontgonnen gebied. Ook kocht de rentmeester er nog wat hamels bij en deze kudde, ongeveer 30 schapen, werd door twee mannen naar Mariënweerd gedreven. Dat gebeurde steeds in het voorjaar. Omdat het uitsluitend om hamels ging, bestaat het vermoeden, dat zij op de weiden aldaar werden vetgemest om in het najaar geslacht of verkocht te worden. Rond 1550 bestond de opbrengst van de hoeven op Hal voor de abdij uit een-derde deel uit rogge, een kwart uit geld, een kwart uit hout en turf en een-zesde deel uit schapen.

Einde
Op 22 maart 1567 overviel een troep soldaten, op zoek naar buit, de abdij. Deze werd zwaar geplunderd. Toen de bende wegtrok, werden alle paarden meegenomen en ook de abt. Tegen een hoog losgeld werd hij weer vrijgelaten. Dit gebeurde in zeer onrustige tijden. Een jaar tevoren was men hier in opstand gekomen tegen de koning Filips II, en onder de opstandelingenleider Willem van Oranje probeerde men gebieden te veroveren. De soldaten die er waren kwamen overal vandaan. Als ze geen soldij kregen gingen ze plunderen. Deze protestanten hadden het vooral op kerken en kloosters gemunt, maar ook de boeren hadden hier veel van te lijden. Hun velden werden verwoest en hun vee geroofd. Op 25 februari 1573 werd de abdij opnieuw geplunderd en hierbij brandde ze af. Een terugkeer was niet meer mogelijk, en daarom trok men in bij een klooster in Culemborg, waar men in 1592 ophield te bestaan.

Inname van Grave ( en natuurlijk de omgeving er omheen) door prins Maurits in 1602

Hier in Hal was de situatie niet veel beter. Strooptochten van soldaten waren een grote plaag voor de bevolking, zeker hier in de nabijheid van de stad Grave. In 1574 was de abdij zo arm geworden, dat ze de boerderijen hier voor geld verpandde aan drie Gravenaren: Hendrik en Jan Boener en Reiner Bocholtz. De zorgen waren hiermee niet voorbij, want opnieuw kwam soldatenvolk hier ’s zomers in kampement liggen. In 1590 werden alle boerderijen van de abdij hier totaal verwoest en brandden tot de grond toe af. Ze werden toch weer opgebouwd. In 1602 werd Grave veroverd door Prins Maurits van Oranje-Nassau, de opvolger van Willem van Oranje en viel het gebied hier in Protestantse handen. Deze prins Maurits nam in 1613 de oude abdij boerderijen in bezit over en waren het vanaf die tijd de Nassause Domeinhoeven oftewel Princehoeven geworden.

 

Zie ook artikel "De Kroondomeinen"