Home » Kerk en Kloosters Dominicanen » 1918: Zelfstandige parochie

Langenboom: Zelfstandige parochie 

Nadat in 1852 een groepje Dominicanen zich gevestigd had in een boerderijtje, dat al iets eerder verbouwd was tot een zeer eenvoudig klooster, kwamen spoedig de mensen die in de omgeving woonden, daar zondags in een klein kapelletje naar de H. Mis. Dit werd nog versterkt toen in 1869 een geheel nieuwe kerk in gebruik kon worden genomen.

In die kerk van Langenboom mocht men alleen de H. Mis bijwonen. Het was geen eigen parochie en daarom was het o.a. ontvangen van het doopsel, het vormsel, trouwen of begraven worden, daar niet toegestaan, dat diende elders plaats te vinden.

Het overgrote deel van de bezoekers behoorde bij de parochie van de H. Lambertus in Escharen. Anderen behoorden bij de parochies van Zeeland en Mill.

Daar wilde men graag verandering in brengen, zeker toen steeds meer mensen zich gingen hechten aan die kerk en aan de Dominicanen. Dat bleek overduidelijk in 1902 bij het Gouden jubileum van de Dominicanen in Langenboom. Daarom schreef op 31 december 1903 de toenmalige Provinciaal vanuit Huissen een brief aan de bisschop van Den Bosch, Mgr. W. v.d. Ven. Hierin verzocht hij de kapel in het gehucht Langenboom te verheffen tot een Rectorale hulpkerk.

In een plechtige brief schreef de bisschop al op 8 januari 1904 terug:

“Hebben wij goedgevonden en verstaan, te verordenen en te bepalen, gelijk wij doen bij dezen:

1e De voorschreven Kapel, gelegen in de Gemeente Escharen, gehucht Langenboom, sectie D 788, wordt door Ons van stonde af, onder den titel van “Kerk van de H. Familie” erkend en verheven tot eene Rectorale Hulpkerk der parochie van de H. Lambertus te Escharen.

2e Als rector dezer hulpkerk wordt door Ons benoemd de Zeereerw. Pater Henricus Poodt, en tot Assistenten de Eerw. Paters Walraven van den Elsen en Wilhelmus Beekhuyzen.

3e Met uitzondering der pastoreele en parochiale rechten en bedieningen, welke aan de parochiekerk blijven voorbehouden, kunnen en zullen in de hulpkerk, tot meer gemak en heil der gelovigen, alle overige diensten verricht worden.

4e De voormelde 3 personen maken tesamen het Bestuur van de hulpkerk.

Wat hield dit nu allemaal in. Wat betekende het, dat men een Rectorale Hulpkerk was geworden?

Wel, men mocht er nu de catechismusles volgen, en ook de 1e H. Communie mochten sommigen daar ontvangen. (Degenen die aan de zuidzijde van de Graafsche weg woonden). Veel meer was het nog niet.

Daarnaast betekende deze erkenning tot hulpkerk, dat ze onbelastbaar werd gesteld door de regering, en dat men gedeeltelijke ontheffing ontving van grondbelasting.

 

Toch was men ook hier nog niet tevreden mee. Op 22 november 1913 schreven P. v.d. Hagen (landbouwer) en H. van Kuppevelt (Hoofd der school), dat ze reeds meermalen zich tot de bisschop hadden gewend met het eerbiedig verzoek in het klooster van de Dominicanen: 

1e te mogen laten dopen

2e De Paasplicht te mogen voldoen (Met de Pasen was men verplicht te biechten en de H. Communie te ontvangen)

3e Huwelijken te mogen laten voltrekken en

4e Op het kerkhof aldaar hun doden te mogen laten begraven.

Was dat teveel geëist, dan wilden ze in ieder geval de Paasplicht er mogen voldoen en de doden er begraven. (Het kerkhof werd al wel lang gebruikt voor het begraven van de paters en broeders).

Gedeelte uit de brief van P. v.d. Hagen en H. van Kuppevelt aan het bisdom

 

Door de bisschop werd advies gevraagd aan de pastoor van Escharen, P.J. de Groot. Deze pastoor was sinds eind 1912 in functie in Escharen en was daarvoor pastoor in Loosbroek geweest.

Deze pastoor De Groot schreef in zijn krachtige handschrift een uitvoerige brief terug aan de bisschop op 18 maart 1914.

“Vernomen hebbende, dat de Commissie van den Langenboom, parochie Escharen, wederom het woord gericht heeft tot Zijne Doorl. Hoogw. – aangezien ook ik telkenmale door die Commissie leden werd gezocht, gepolst enz. – meen ik verplicht te zijn Zijne Doorl. Hoogw. eens mede te deelen hoe de zaken hier staan. De weg naar Mil, nabij het Hoekje is de scheiding tusschen Escharen en Langenboom.

  1. Kinderen gaan daar naar school, kinderen gaan daar ook naar den Catechismus
  2. De kinderen sinds enkele jaren hebben in Langenboom ook hun Paschen
  3. De kinderen sinds het Pastoraat van P.J. de Groot, doen ook in Langenboom hun pl. eerste H. Communie
  4. Zeer ruim verlof wordt er gegeven tot het houden van den Paschen in den Langenboom (in 1912 aan 140 personen).

a.b.c. en d gelden voor de parochianen over den weg die in bediening toevertrouwd zijn aan de Zeer Eerw. Paters van den Langenboom. Hiervoor hebben zij omgang in rogge en boter.

Nu wat betreft de parochianen die aan deze zijde (de Escharense kant) van den weg naar Mil wonen en op eene enkele uitzondering juist zoo verre verwijderd zijn van de parochiekerk van Escharen als van den Langenboom.

  1. Verschillende gaan naar den Langenboom naar de kerk.
  2. Verschillende kinderen gaan naar den Langenboom naar de school, derhalve ook naar den Catechismus
  3. Ze houden daar ook hun Paschen en doen de eerste pl. H. Communie.

 

De Leden der Commissie aangezet door den nieuwe Praeses (Pater van Gent) en den nieuwen Provinciaal hebben het vooral over het doopen en begraven.

Wat het doopen betreft, dat is voor enkele parochianen nog al ver, zeer ver, 1 uur, 1 ½ uur ja in enkele gevallen soms bijna twee uur en dat is in den winter nog al heel wat, vooral omdat de meeste doopelingen van den Langenboom komen, Spie en nog verder

Wat het begraven betreft daar zie ik niets in, en zeker niet in het trouwen, daar ze toch ten Raadhuize hier moeten verschijnen.

Met den meesten eerbied, Zijne Doorl. Hoogw. P.J. de Groot, Past.

P.s. Mocht het Zijne Doorl. Hoogw. goedkeuren, dan zal ik wel aan alle parochianen van Escharen over den weg naar Mil verlof geven om hun Paschen in den Langenboom te houden.

Uit: Echo 5 april 1918

 

Uit bovenstaande brief blijkt duidelijk, dat de pastoor van Escharen wel wat toestaat aan de kinderen en het dopen, maar dat het trouwen en begraven in Escharen moet blijven plaatsvinden.

Men kan begrijpen, dat men hier niet mee akkoord kon gaan en opnieuw werd er vanuit Langenboom en Huissen bij bisschop Van der Ven op aangedrongen om de pastoor en het kerkbestuur toch tot wat meer medewerking aan te zetten.

Op 15 october 1917 komt er opnieuw een brief vanuit Escharen aan het bisdom:

“Na de zaak “Langenboom” meermalen besproken te hebben, deel ik U Hoogeerw. mede, dat het Kerkbestuur van den H. Lambertus alhier genegen is om den Langenboom af te staan onder de navolgende zeer billijke voorwaarden:

  1. De weg naar Mil moet scheiden (dat is reeds lang geweest). Verder niets. (Met de weg naar Mill werd de Graafsche weg bedoeld en het verlengde hiervan de Zandvoortsestraat)

Dan is de scheiding volmaakt in orde en dan is er verder met geen kadaster, met geen perceelen, met geen wegen iets te doen.

Wil men op den Langenboom meer hebben, dan keurt het Kerkbestuur dit af en op deze voorwaarden heeft de ondergetekende dan ook reeds meermalen gezegd: ïk vind het goed”.

Zou men meer willen, dan houd ik vol: “men kan de parochie van Escharen wel opdoeken”.

  1. De Koster der parochie van den H. Lambertus te Escharen heeft het eeuwigdurend recht op omgang van eieren en rogge met stroo in Escharen en ook op Langenboom, dus daar moet ook in voorzien worden, maar daar zouden de Paters wel met 11 à f.1200 af kunnen komen.

Me dunk het is zoo prachtig mogelijk. Doch dan moeten de Paters in mijn gedeelte, de Paters die ik immer verdedigd heb, den baas niet komen spelen.

 

P.S. Ik mag niet nalaten, om U Hoogeerw, het volgende mede te delen. De handelwijze van de zeer Eerw. Paters van den Langenboom ten opzichte van deze quoestie, ten opzichte van mij, gelijkt naar niets. Ik ben er altijd voor geweest, en nou word ik door hen behandeld nog minder dan een kwajongen, aldus ook het Kerkbestuur van Escharen. Zoo gaat het wanneer men met lieden te doen heeft jong en onervaren, zonder de minste onderving.

            Uw. dr. P.J. de Groot, Past. en Voorz. Kerkbestuur

Gedeelte uit de brief van pastoor De Groot van Escharen

 

Zo, de “kogel was door de kerk”. Uit het bovenstaande blijkt wel overduidelijk, dat de verhouding tussen Escharen de de Paters in Langenboom bepaald niet best meer was. Waarom de pastoor zo kwaad op de Paters was hebben we helaas niet meer kunnen achterhalen. Over het ophalen van eieren en rogge in Langenboom door koster Cuppen van Escharen zou in 1919 opnieuw een hele ruzie losbranden tussen de twee pastoors. De bisschop moest als scheidsrechter gaan optreden.

 

Ook met Zeeland en Mill moesten afspraken gemaakt worden over de grens van de nieuwe parochie, want ook daar kwam verandering in. Dit ging heel wat soepeler.

 

De pastoor van Zeeland schreef op 22 october 1917:

“Het Kerkbestuur van Zeeland zal onder goedkeuring van Zijne Doorl. Hoogw. den Bisschop gaarne een gedeelte der parochie overdragen aan de Eerw. Paters van Langenboom.

Met den Praeses van genoemd klooster heeft het de volgende scheidingslijn gemaakt:

Kaartje met de grenzen met Zeeland - Mill en Escharen

 

Bij de Graspeel de groote zandbaan naar de Langstraat inslaande en deze eenigen tijd volgende, vindt men vóór perceelen n. 1192 en 1045 sectie C een sloot, welke uitkomt op een weg welke weg loopt naar de grens Zeeland-Escharen, deze sloot en weg dienen hier tot scheiding.

Op de Zandbaan terugkeerende en deze een weinig volgende, vindt men rechts achter perc. n. 1145 sectie C een zijweg, welke men volgt tot den eersten zijweg links achter perc. n. 1055 sectie E. Dezen zijweg links volgt men en komt op het einde hiervan aan een groote heide, zandverstuiving genaamd, waarover men een rechte lijn trekt tot aan den overweg van het spoor. Dan volgt men ongeveer 750 meter links de spoorlijn en vindt achter perc. n. 863 sectie E een weg, loopende naar den grindweg Uden-Mil. Alles wat links ligt, behoort tot Langenboom, ook alles wat ligt over den grindweg Uden-Mil. Zoo zijn alle huizen wier bewoners nu reeds naar Langenboom te Kerk gaan en door de Eerw. Paters bediend worden, in de nieuwe parochie opgenomen. Het zielental bedraagt 210.

            Met eerbiedige hoogachting, A. Saris, Pastoor Zeeland.

Gelukkig is er een schetsje gemaakt van deze grensscheiding tussen de parochies van Zeeland en Langenboom zodat het enigszins te volgen is. De grens ging dus nog een behoorlijk stukje over de huidige Middenpeelweg heen, zelfs tot voorbij de weg Uden-Mill.

Ook het vaststellen van de grens met Mill leverde nauwelijks problemen op. In een brief van 22 november 1917 kwam vanuit Mill het volgende antwoord:

Hoogeerw.

In antwoord op het schrijven van 22 sept. ’17 heb ik de eer bij dezen te berichten, dat het Kerkbestuur van Mill geen bezwaar heeft tegen het oprichten eener parochie te Langenboom en dat het in overleg met den Praeses als grens heeft vastgesteld den Kunstweg loopende van Mill naar Langenboom tot aan de grens voor Escharen, (tot ongeveer bij de huidige Fazantenweg) en een weg uitgaande van genoemden Kunstweg en loopende tot de Spoorlijn Boxtel-Wezel. (Stukje Zeelandsedijk –Dellenweg)  Door deze scheiding worden alle twijfels en moeilijkheden ook voor later voorkomen. Door deze scheiding zullen ongeveer 25 huisgezinnen met te samen circa 145 zielen van de parochie van Mill tot de nieuwe parochie overgaan.

Hoogachtend en met vriendelijke groeten. J. van Oort Pastoor

 

Op 5 mei 1918 werd er een regeling vastgesteld over de financiële verhouding over de rechten en lasten van de nieuwe parochie ten opzichte van de Paters Dominicanen. Dit werd bisschoppelijk goedgekeurd.

Ook vanuit Rome waren er geen bezwaren en vandaaruit kwam er op 31 mei 1918 een officieel schrijven, dat de nieuwe parochie van start kon gaan.

 

Nu iedereen zijn medewerking had toegezegd, kon er in de Mis van 11 augustus 1918 in de kerken van Escharen, Langenboom, Zeeland en Mill een bisschoppelijke brief van 9 augustus (ondertekend door de vic.-generaal J. Pompen) worden voorgelezen vanaf de preekstoel, waarin de nieuwe parochie officieel werd bekend gemaakt. De parochie zou gaan resorteren onder het dekenaat Ravenstein. Ingangsdatum 15 augustus 1918. Tot kerkmeesters werden benoemd de twee initiatiefnemers Petrus van der Hagen en Henricus van Kuppevelt.

 

Op dinsdag 27 augustus vond tijdens een solemnele H. Mis (zoals men dat toen noemde) de installatie plaats van J. van Gent tot pastoor door de deken van Ravenstein A.Sala. Hierbij waren ook vertegenwoordigd de pastoors uit Escharen, Zeeland en Mill.

 

Nu was alles in orde en kon op 15 aug. de 1e parochiaan gedoopt worden, nl Joannes van Kessel van de Spie. Maar waar moest men de doden gaan begraven? Snel werd er op 18 augustus 1918 een brief verzonden naar het gemeentebestuur van Escharen om toestemming voor het aanleggen van een kerkhof (20 are) oostwaarts van het kerkhof van de Paters Dominicanen.

De pauselijke goedkeuring

 

Nadat het gemeentebestuur en de gezondheidsdienst in Boxmeer toestemming hadden verleend, kon men aan de slag want dit kerkhof lag zeer laag. Alle boeren van de parochie werden ingeschakeld, zij moesten zonder vergoeding (men moest er wat voor over hebben) met paard en kar zwarte grond gaan halen op Kuupers veld op het Patersgoed en het neerkarren op het nieuwe kerkhof, dat zo beetje bij beetje ruim een halve meter werd opgehoogd.

Uit: Graafsche Courant van 17 augustus 1918

 

Op zondag 17 november werd het kerkhof plechtig ingewijd door pastoor Joannes van Gent. (Het werd door de parochie voor f. 10,= per jaar van de Paters gehuurd). De eerste overledene die er begraven werd was Toon van der Linden (de korte Toon) van de Lage Peel. (Hier woonde later Harrie Wijdeven). Enkele dagen later, op 8 december 1918, werd Harrie Jilesen begraven. Hij was slechts 7 maanden getrouwd met Hanneke Gelab, maar overleed plots aan de Spaanse griep. Zijn zoontje Harrie moest nog geboren worden. Het ontstaan van de nieuwe parochie heeft dus letterlijk heel wat voeten in de aarde gehad.