Home » Uit historie Langenboom » Difterie epidemie in Langenboom

Wat een angst moet er in Langenboom geheerst hebben in het voorjaar van 1941. Een hevige difterie uitbraak had hier plaatsgevonden. Vele kinderen werden ernstig ziek. Langenboom werd landelijk nieuws. Allerlei kranten schreven erover.

Difterie, vroeger ook bekend als kroep, is een infectieziekte die wordt veroorzaakt door een bacterie,die via hoesten van mens op mens wordt overgebracht. Difterie was voordat vaccinatie algemeen gebruikelijk werd een van de meest voorkomende doodsoorzaken bij kinderen.

De incubatietijd van difterie is 1 tot 4 dagen, waarbij de eerste symptomen vaak bestaan uit moeilijk slikken en een zere keel. Misselijkheid, braken, lichte koorts, snelle hartslag en hoofdpijn treden veel op.

Het bleef in Langenboom niet bij ernstig zieke kinderen, er vielen slachtoffers. Het eerste kindje dat overleed was Marietje Bongers, dochter en jongste kind van Martien Bongers en Gerarda van den Bungelaar. Zij werd geboren op 30 october 1933. In februari 1941, ze was 7 jaar, werd ze erg ziek.

Men had nog niet in de gaten, dat er zojuist een ernstige difterie-epidemie in Langenboom was uitgebroken, en daarom dacht men eerst dat ze griep had. Na een nacht niet geslapen te hebben, zat ze bij de kachel in de kamer en had grote moeite met ademhalen, haar keel werd haast dichtgeknepen. Dokter Arntz uit Mill, die erbij geroepen werd, wist ook nog niet de juiste diagnose te stellen. Hoewel zijn dochter die dag trouwde, ging hij eerst thuis opzoeken wat Marietje mankeerde. Snel keerde hij terug en gelastte, dat ze onmiddellijk met een auto naar het Canisius-ziekenhuis in Nijmegen gebracht zou worden, omdat ze difterie had. Na daar nog een aantal dagen geleefd te hebben overleed ze op 9 februari. Twee dagen later werd ze op het kinderkerkhof in Langenboom begraven. In het gezin Bongers is Marietje nog vaak in hun gedachten geweest.

Nieuwe slachtoffers. Drie dagen later sloeg het noodlot wederom toe. Nu in het huis aan de Zuid Carolinaweg no1. Twee kinderen van Marinus de Klijn en Cato Janssen waren ernstig ziek. Ze gingen zienderogen achteruit. Op 12 februari was er voor het kleine Koosje (geboren op 1 october 1937) geen redden meer aan en overleed hij thuis. De volgende dag werd zijn iets oudere zusje Francina (geboren 5 augustus 1936) met grote spoed naar het ziekenhuis in Nijmegen gebracht. Bij aankomst was ze al overleden. Beiden werden op 15 februari begraven op het Langenboomse kerkhof. Hun grafje ( met foto’s) is nog steeds te bezoeken.

Dagblad “De Tijd” schreef in die tijd:

Een van de kinderen die opgenomen moesten worden, was de 9-jarige Nellie Koenen van de Lagehei. Ze voelde zich ’s morgens niet goed, was hangerig. ’s Middags om 4 uur werd het slechter en toen moeder Koenen in haar keel keek, zei ze “Oe toch, als ons Nellie maar geen difterie heeft”. Zuster Hoenselaars werd erbij geroepen, die vertrouwde het niet en schakelde de ouwe dr. Kanters uit Grave in. Hij raadde aan om Nellie zo snel mogelijk in het Canisius ziekenhuis op te nemen. Coos van Duijnhoven (een van de weinigen, die een auto had) bracht haar daarheen. Vanwege de besmettelijkheid werd ze daar meteen geïsoleerd in een barak. Familieleden, die op de fiets haar enkele keren per week kwamen opzoeken, moesten achter dik glas blijven. Men kon elkaar wel redelijk verstaan.

Zij trof daar o.a. Truus Verbeek en Marietje Jordens op haar kamer aan. Er werden ruim 20 kinderen uit Langenboom opgenomen. Na 14 dagen opgesloten geweest te zijn in een kamer, mocht Nellie naar buiten, om met andere kinderen te spelen.

De 9-jarige Nellie Koenen

Nadat ze wat opgeknapt waren, deden ze ’s avonds kussengevechten. Zodra de nonnen in aantocht waren, deed Nellie net of ze sliep, want anders kreeg ze op haar todden. Ze weet nog goed, dat als ze buiten aan het spelen was, ze naar binnen moest, als Duitse militairen langs kwamen gemarcheerd en liederen zongen. Na 7 weken mocht ze naar huis.

Nog was het einde van het leed niet in zicht. Op Langenboomseweg 165 (nu Fam. Van den Oever) woonden toentertijd Martien Verbeek en Bertha van Bommel met hun kinderen. Ook hier redde een klein kindje het niet. Gerardje van bijna 6 jaar stierf op 17 februari. De Familie Verbeek vond het verschrikkelijk dat ze het graf van Gerardje hier in Langenboom moesten achterlaten, toen ze naar Canada emigreerden.

Alles werd op alles gezet, om de epidemie uitbraak in Langenboom de kop in te drukken. Zoals hierboven al gezegd, waren vanwege het besmettingsgevaar de scholen gesloten en moesten de kinderen, zoveel als mogelijk was, binnen blijven. Burgemeester mr. L. de Bourbon, gaf in overleg met de inspectie voor de Volksgezondheid opdracht, om alle kinderen van twee tot vijftien jaar uit zijn gemeente te laten inenten tegen difterie en roodvonk. Meer dan 500 kinderen werden door dr. Kanters ingeënt. Eind februari 1941 deden zich geen nieuwe ziektegevallen meer voor. De epidemie was tot staan gebracht.