Home » Uit historie Langenboom » Soepmoord in Langenboom

Soepmoord in Langenboom

 

Soms denk je, dat in Langenboom alleen maar “brave” men­sen wonen. De werkelijkheid is toch wat anders. Een bijzonder verhaal hierover kwamen we tegen in de Graafsche Courant van 1892 en 1893. Ja, lang geleden, maar zeker het vertellen waard.

Het begon in juli 1892 in een winkel in Grave, waarover de Graafse correspondent in deftige taal schrijft. (De 2 snuggere boertjes in spe zijn twee kinderen.)

 

Wie waren nu deze kinderen uit Langenboom. Hun vader, die zekere V. was Martinus Verhoeven, hij was gehuwd met Johanna van Dinter en zij woonden aan de Zeelandsedijk, vlak bij de Gasthuisstraat, daar waar nu de gebr. Van Boekel wonen.

Het moet wel een bijzonder gezin geweest zijn, met name die vrouw Johanna was “geen katje om zonder handschoentjes aan te pakken”. Ook haar eigen man kwam daar menigmaal achter, doordat ze hem flinke aframmelingen gaf. Toen gebeurde er iets speciaals. Op 31 maart 1893 komt het gezin weer volop in de belangstelling. Je moet maar op het navolgende idee komen:

 

Bij zijn overlijden was Martinus 51 jaar oud. Zijn vrouw was behoorlijk wat jonger. Drie weken voor zijn dood, was er nog een jongetje geboren, die bij de bevalling was overleden. Johanna was dus nog maar net uit het kraambed, toen ze waarschijnlijk met de lucifers aan de slag ging.

Natuurlijk kon de politie dit niet zo maar voorbij laten gaan. Bekenden van Martinus hadden hen getipt en al op de dag van zijn overlijden werd Johanna aan de tand gevoeld.

Nu Martinus Verhoeven overleden was en zijn vrouw gevangen genomen was, zat er niets anders op, dan de boerderij te verkopen. De kinderen werden elders ondergebracht.

Net voor zijn dood had Martinus nog tegen kennissen kunnen vertellen, dat zijn vrouw hem met lucifers in zijn soep had vermoord, maar zou het ook te bewijzen zijn?

Op 19 juni 1893 boog de rechtbank zich over dit bijzondere geval.

“- Zaterdag stond voor de arrond.-rechtbank te ’s-Bosch terecht Johanna van Dinther te Langenboom, thans gedetineerd, beklaagd ter zake, dat zij, na het voornemen te hebben opgevat en het besluit genomen om haren echtgenoot Martinus Verhoeven van het leven te berooven, den 27 Maart 1893 te Langenboom, opzettelijk ter uitvoering van het misdadig besluit, dien echtgenoot eene hoeveelheid zwavel (phosphorus) heimelijk heeft toegediend en heeft doen eten, ten gevolge waarvan genoemde Martinus Verhoeven ernstig ziek geworden is en op den 31 Maart 1893 gestorven is.

Uit het rapport der deskundigen, die tevens als getuigen werden gehoord, de hh. dr. J.C.J. van der Hagen en dr. P. Woltering aldaar en de verklaringen van den getuige-deskundige dr. J.P.H. van der Burgt alhier, blijkt dat hunne conclusie is dat Verhoeven is overleden ten gevolge van toegediende phosphorus. Alleen dr. Van der Hagen is stellig overtuigd, dat de dood het gevolg is van toediening van phosphorus. De andere deskundigen kunnen het slechts als hunne meening uiten. Uit de verklaringen der getuigen blijkt, dat de man en vrouw slecht harmonieerden: eenparig waren de getuigen van gevoelen, dat de schuld aan de zijde der vrouw was, die nog onlangs door deze rechtbank veroordeeld werd wegens mishandeling van haren man; nog bleek dat de vrouw zich de uitdrukking had laten ontvallen: “je wilt niet kapot, maar ik zal je kapot maken”; voorts dat volgens verklaring van een getuige, de overledene hun gezegd had, dat hij reeds vroeger luciferkopjes in zijn pruimtabak gevonden had; dat wijlen Verhoeven gezien had dat blauwe vlammetjes zweefden boven de hem op 27 Maart toegediende soep; dat Verhoeven onmiddellijk gedacht heeft door zijne vrouw vergiftigd te zijn en dit gevoelen dan ook aan sommige getuigen geuit heeft, welke getuigen tevens wijlen Verhoeven slijmachtig, bruingeel vocht hebben zien opgeven; dat V. na zijn dood geheel geel was geworden; dat V. meermalen had te kennen gegeven zulk leven niet meer te kunnen uitstaan, zoodanig was de behandeling der vrouw te zijnen opzichte. De Beklaagde toonde zich erg bedroefd, niet over den dood haars man, daarover kwam geen woord over hare lippen, doch over de tegen haar gerichte beschuldiging. Hare verdediging baseerde zich hierop, dat ook de kinderen van dezelfde soep gegeten hadden, en die waren er niet van gestorven. Nog gaf zij op, dat haar man arsenicum in zijn bezit had en eenmaal gebleken was de zoutevisch, die hij voor zich bewaarde, met arsenicum was doortrokken. Zij verklaarde onschuldig te zijn, ofschoon zij erkende, dat er menigmaal oneenigheid bestond tusschen haar en wijlen haren echtgenoot. het O.M., ofschoon dien morgen naar aanleiding der stukken, nog van de schuld van beklaagde overtuigd, aarzelt niet te zeggen, dat gedurende de behandeling dezer zaak hij in die overtuiging geschokt is. 2 wegen stonden voor open; hij moest of wel levenslange gevangenisstraf eischen of vrijspraak. Daar hij niet overtuigd was van beklaagde’s schuld nam hij het laatste requisitoir. De verdediger mr. Van Leeuwen, de rechtbank niet verder willende vermoeien, zag, nu het O.M. den eisch tot vrijspraak deed, van verder pleidooi af en sloot zich aan bij het requisitoir van den substituut-officier mr. Van der Kun. De rechtspraak bepaalde de uitspraak op Maandag 3 Juli a.s.”

Wat niemand verwacht had, gebeurde. Het wettig en overtuigende bewijs was blijkbaar niet te leveren, terwijl toch alles in de richting van vergiftiging wees.

Op maandag 3 juli volgde de navolgende uitspraak:

Toch komt de vrijgesproken Johanna nog een keer in het nieuws als de Limburgse Krant het navolgende meldt:

Hoe het verder met haar en haar kinderen is gegaan is in nevelen gehuld. Wel vinden we in het archief van de Arrondisementsrechtbank in Den Bosch Johanna van Dinter nog een keer terug als ze, wonende in Stratum bij Eindhoven, in 1900, op 47 jarige leeftijd, een oudere man zijn knipbeurs met inhoud afhandig maakt, die bij haar op de wc in slaap was gevallen. Ze werd veroordeeld tot 3 weken cel. Hierna verdween ze, waarschijnlijk naar Limburg.